Is ons sociale zekerheidsstelsel nog wel van deze tijd?

De afgelopen 20 jaar is voortdurend gesleuteld aan sociale zekerheidswetgeving. Deze hervormingen waren een misschien wel noodzakelijke reactie op de snelle uitbreiding van ons sociale zekerheidsstelsel vanaf de Tweede Wereldoorlog, met een eenzijdig accent op inkomensbescherming en weinig oog om mee te bewegen met maatschappelijke ontwikkelingen.

Waar staan we anno 2014? Kunnen we de wetten van Rutte II die langs de Tweede en Eerste Kamer geloodst worden (o.a. Participatiewet, Wet Werk en Zekerheid, Quotumwet) zien als sluitstuk van sociale zekerheidswetgeving of staan we op de grens van nieuwe noodzakelijke aanpassingen?

Is ons sociale zekerheidsstelsel nog wel van deze tijd? SV Café organiseerde op 19 juni 2014 een symposium om een antwoord te krijgen op deze vraag. Willem Vermeend en Rick van der Ploeg waren de speciale gasten en Michiel Bakker van SV Land verzorgde de aftrap van het drukbezochte evenement. Hieronder een korte impressie van een aantal zaken die de revue passeerden.

Vele koerscorrecties vanaf 1990
Vanaf 1990 is voortdurend discussie geweest over sociale zekerheid rond de volgende vragen:

  • Voor wie is de sociale zekerheid bestemd?
  • We zorgt voor de uitvoering?
  • Welke risico’s vallen eronder?

Een opvallend signaal werd afgegeven door Ruud Lubbers in 1990: hij dreigde op te stappen als de grens van 1 miljoen arbeidsongeschikten zou worden bereikt. Een ander signaal werd afgegeven door de parlementaire enquêtecommissie Buurmeijer in 1993: de uitvoering moest op de schop, het stelsel was te weinig activerend en meer verantwoordelijkheden moesten bij werkgevers en burgers zelf komen te liggen.

De maatschappij was veranderd en de sociale zekerheidswetgeving sloot daar niet meer bij aan: “Het stelsel werd opgebouwd onder de veronderstelling van volledige werkgelegenheid, de dominantie van het gezin (en de daarmee verbonden traditionele arbeidsverdeling tussen man en vrouw) en het gestandaardiseerde arbeidsleven van 15 tot 65 gedurende 40 uur per week. Deze werkelijkheid glipt echter weg” (quote uit ‘Werkconferentie normvervaging en sociale zekerheid van 14 oktober 1993’).

Hebben we na 20 jaar sleutelen en met de nodige nieuwe wetgeving die op stapel staat een eindpunt bereikt? Of glipt het ons ook nu weer door de hand? Is ons sociale zekerheidsstelsel anno 2014 nog wel van deze tijd?

Nieuwe uitdagingen
In zijn inleiding gaat Michiel Bakker in op ontwikkelingen die druk zetten op het huidige sociale zekerheidsregime. Het gaat bijvoorbeeld om de volgende ontwikkelingen:

  • vergrijzing: zogenoemde ‘grijze druk’ neemt toe van 27% in 2012, naar 51% in 2040
  • hoge werkloosheid: netto arbeidsparticipatie neemt laatste jaren weer af
  • ongunstig arbeidsmarktperspectief van flexwerkers
  • toegenomen inkomens en vermogensongelijkheid: WRR: ‘Hoe ongelijk is Nederland?
  • ongunstig perspectief in crisistijd voor sommige groepen, bijvoorbeeld jongeren
  • snellere afbouw inkomensbescherming dan opbouw arbeidsmarktkansen voor langdurig werklozen en arbeidsgehandicapten

Als je naar het aantal uitkeringen kijkt, moet je constateren dat het stelsel nog steeds niet activerend genoeg is. Het aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen is weliswaar de laatste 15 jaar met zo’n 100.000 gedaald, maar het gaat nog steeds om een grote groep die voor een deel wel degelijk actief op de arbeidsmarkt zou kunnen zijn. Participatiewet en Quotumwet proberen het tij te keren.

Internationaal staan we sterk én zwak!
Nederland staat met stip bovenaan als het gaat om uitgaven voor sociale bescherming in Europa, 32,3% van het bruto binnenlands product wordt uitgegeven aan sociale bescherming.

De andere kant van deze medaille is dat de kans op armoede of sociale uitsluiting bij ons het laagst is. Vermeend en van der Ploeg geven aan dat de uitgaven inmiddels zo ver uit de hand zijn gelopen, dat hier snel wat aan gedaan moet worden, omdat bedrijven hier teveel nadelen van ondervinden (en daarmee ook nadelige invloed hebben op de werkgelegenheid).

Activerend stelsel vergt andere insteek van de overheid
Vermeend: “Je zou een stelsel moeten hebben dat ervoor zorgt dat mensen snel weer aansluiting op de arbeidsmarkt kunnen vinden.” Eerste vereiste daarvoor is dat je een sterke economie hebt en dat je allerlei spectaculaire veranderingen (in bijvoorbeeld de nieuwe maakindustrie) niet probeert te ontmoedigen en dat de lastendruk voor bedrijven omlaag gaat. Extra banen die je wilt creëren moeten uit het bedrijfsleven komen. Met name van de bedrijven tot 50 werknemers verwacht hij op dit punt veel.

Vermeend en van der Ploeg geven aan dat in Nederland in vergelijking tot veel andere landen de doorstroom functie vanuit een uitkering richting arbeidsmarkt veel minder groot is. In banenplannen zien zij geen heil: ze werken niet omdat je met subsidie een andere baan verdringt. Daarnaast stellen ze dat teveel mensen dan subsidie krijgen. Ook degenen die zonder die subsidie wel aan werk zouden zijn gekomen, krijgen dan subsidie.

De sleutel van de oplossing ligt in veel eerder ingrijpen. Op het moment dat werkloosheid dreigt, moet er geld beschikbaar zijn en geïnvesteerd worden in mensen om te zorgen dat uitval kan worden voorkomen of zo kort mogelijk duurt. Kortom met 20 jaar sleutelen en de wetgeving die nu op stapel staat, zijn we er nog steeds niet.

Stelstel moet zich richten op (her)intreders en niet op uittreders
De sympathie van Vermeend en van der Ploeg gaat uit naar de mensen die proberen kansen op de arbeidsmarkt te blijven zoeken. De vraag die Vermeend stelt is of de inzet van burgers wel voldoende wordt gestimuleerd: mensen die nieuwe kansen op de arbeidsmarkt proberen te zoeken, moet je steunen. Eenmaal aan het werk, lijkt het onderwijssysteem in Nederland weinig uitnodigend om (parttime) terug te keren naar de schoolbanken om nieuwe kansen aan te boren. De sectorplannen als onderdeel van het sociaal akkoord uit 2013 kunnen hier mogelijk wel een positieve rol spelen.

Vermeend en van der Ploeg benadrukken de springplankfunctie van sociale zekerheid. Wat in de discussie niet aan de orde komt is, dat als je van een springplank afspringt, je wel een kans moet krijgen op een succesvolle landing op de arbeidsmarkt. Anders gezegd: hoe enthousiast is een ondernemer als Willem Vermeend om mensen met een arbeidsbeperking een kans te geven binnen zijn bedrijf? Je kunt sympathie hebben voor degenen die aan willen klampen op de arbeidsmarkt, maar wat als die arbeidsmarkt een deel van degenen die aan de kant zijn komen te staan, die kansen niet kan of wil bieden?

Is ons sociale zekerheidsstelsel nog wel van deze tijd?
Van der Ploeg, Vermeend en Bakker geven aan dat het urgent is, om te werken aan een nieuwe balans: een sobere inkomensbescherming (niet langer dan strikt noodzakelijk) voor mensen die (tijdelijk) niet meer mee kunnen, naast het serieus vorm geven van de springplankfunctie van sociale zekerheid. Hiervoor zal meer nodig zijn dan het kabinet nu voor ogen heeft met een quotumdreiging richting werkgevers en het bestrijden van misbruik en fraude van uitkeringen.

Zoals eerder aangegeven vinden alle drie de sprekers dat in eerder ingrijpen de sleutel van de oplossing ligt. Dat vergt veel meer dynamiek op de arbeidsmarkt, ook om over sectorgrenzen heen te kijken, dat vergt lef van degene wiens baan op de tocht komt te staan, en dat vergt een dynamisch sociaal zekerheidsstelsel, waarbij geld beter aan het voorkomen van uitreden kan worden besteed (bijvoorbeeld omscholing) dan aan het verstrekken van een uitkering.

Auteur: Sjaak Koehler, Adviseur bij SV Land

Adresgegevens

SV Land
Röntgenlaan 13
2719 DX Zoetermeer
Routebeschrijving

Nieuwsbrief